Om warmtenetten een wezenlijke bijdrage te laten leveren aan de benutting van duurzame energie, moet de landelijke overheid een duidelijke visie formuleren voor de langere termijn. Nu nog hinkt het Rijk teveel op uiteenlopende gedachten. Dat een scherpe focus wonderen kan doen, werd helder tijdens een werktrip van energiespecialisten van overheden en bedrijfsleven aan Kopenhagen en omgeving.

Bart van de Velde en Bob Brandjes, projectmanagers duurzaamheid bij adviesbureau APPM en initiatiefnemers voor de trip, zaten zich “uit oprechte nieuwsgierigheid te verwonderen dat een land als Denemarken – dat zo op Nederland lijkt, qua cultuur, type land en klimaat – zo ver kan voorlopen op het gebied van warmtenetwerken.”

Kopenhagen is voor 95 procent aangesloten op het warmtenet. “Hier is het misschien wel andersom en redt hooguit 5 procent het zonder gasaansluiting. Reden genoeg om specialisten in ons netwerk mee te vragen om dat ter plekke eens met eigen ogen te bekijken,” licht Van de Velde toe.

Provincie Zuid-Holland (Tanja Haring), de gemeenten Rotterdam (Lydia Hameeteman) en Lansingerland (Katinka Schipper), energieleverancier Eneco (Koen Gommers) en netwerkbeheerder Alliander Duurzame Gebiedsontwikkeling (Brenda Schoumans) gingen in op de uitnodiging en allemaal zijn ze het er unaniem over eens: Denemarken is hét gidsland in de aanleg van warmtenetwerken.

Oliecrisis
Die rol als voorloper is ooit uit nood geboren, zoveel werd duidelijk op Deense bodem. In de oliecrisis in de jaren ’70 werd het land op zichzelf teruggeworpen. Zonder eigen fossiele bronnen was de afhankelijkheid van het buitenland zo groot, dat collectief werd gezocht naar een alternatief. “Die werd gevonden in ‘warmtenetten’. En vervolgens is volop gekozen voor dat spoor,” blikt Haring terug.

Met de gasbel onder Groningen heeft het in Nederland tot voor kort aan een dergelijke urgentie ontbroken. De gewijzigde opinie door de aardschokken zorgt voor een kentering. De recente aanstelling van oud-politici Diederik Samsom en Kees Vendrik, door minister Eric Wiebes, om voor de zomer tot een nieuw klimaat- en energieakkoord te komen, zijn daar het meest concrete voorbeeld van.

Positief voor de voorstanders van warmtenetten, maar er is in Nederland veel meer te kiezen. Hameeteman: “En dat maakt het frustrerend. De Deense overheid heeft een duidelijke keuze gemaakt. Dat zie ik in Nederland niet zomaar gebeuren. Om iets op te kunnen bouwen is dat wel cruciaal. We kunnen onmogelijk alles een beetje naast elkaar blijven ontwikkelen, omdat we dan het schaalvoordeel verliezen.”

Aan de andere kant is het voordeel van een warmtenet dat meerdere bronnen kunnen aantakken, stelt Schoumans. “We hebben als pluspunt dat we als Nederland nu nog kunnen kiezen voor een warmtenetsysteem waarin we niet teveel afhankelijk zijn van één bron – zoals biomassa – en leverancier. In Denemarken hebben we dan wel gezien dat het helpt om één duidelijke keuze te maken voor het energiesysteem om schaalgrootte te bereiken, maar tegelijkertijd staat Denemarken voor de uitdaging hoe kan worden overgestapt naar nieuwe, meer duurzame warmtebronnen. Op dit moment moeten ze grondstoffen van over de grens aanvoeren. Die kant willen we in Nederland niet op.”

Naast een bezoek aan de hoofdstad Kopenhagen, werden ook in de omgeving van de Deense hoofdstad aansprekende voorbeelden van warmtenetten bezocht: HOFOR centrale, Danish Board of District Heating, Danks Fjernvarme en Hejnsvig district heating cooperation.

Coöperatieve gedachte
Grote gemeenschappelijke deler in de Deense initiatieven is de coöperatieve gedachte. Veel warmtenetten zijn van onderaf ontstaan. Schoumans: “Burgers hebben hun krachten gebundeld. Dat zorgt automatisch voor draagvlak voor duurzame energie. En het verhoogt de betrokkenheid en daarmee dus ook het bewustzijn over de problematiek. In Nederland zijn we zo gewend geraakt aan het gas, dat het als een vanzelfsprekendheid wordt ervaren.”

“Eigenlijk zoals in Denemarken het warmtenet een basisbegrip is,” vult Gommers aan. “Dat heeft ook alles te maken met de achterliggende financiële infrastructuur. De overheid staat garant. En daardoor durven ook banken kapitaal beschikbaar te stellen om in warmtenetten te investeren.”

Voor Schipper was dat een belangrijke eyeopener. “Bewoners die de krachten bundelen, kloppen aan bij een bank en kunnen daar een soort van hypotheek afsluiten, bijvoorbeeld voor de bouw van een gemeenschappelijke biomassacentrale. Dat is hier ondenkbaar. En toch is het ook zo logisch, want de afname van de warmte is gegarandeerd. Dat maakt het tot een hele veilige investering.” Van de Velde lacht: “En zo liepen we op een gegeven moment dus rond in een dorpje met nog geen vierhonderd huizen, waar toch een eigen warmtecentrale was gebouwd, door de bewoners zelf.”

Schipper zag die opmerkelijke tendens ook in de verschillende stadswijken in Kopenhagen, waar warmtecoöperaties nauw optrekken samen met de gemeente. “Daarbij worden ze geholpen door het rijksbeleid dat alternatieven ontmoedigt. Bijvoorbeeld door de prijs van gas of olie kunstmatig te verhogen, met belastingen en heffingen. En dat in de wetenschap dat fossiele brandstoffen daar sowieso al duur zijn.”

De trip naar Denemarken is alweer een half jaar geleden en sindsdien is op rijksniveau veel gebeurd en zijn er mooie stappen gemaakt, zoals het afschaffen van de aansluitplicht gas voor nieuwbouw. We verwachten dat met het klimaat- en energieakkoord waar momenteel hard aan wordt gewerkt, dat er een lange termijn visie komt.

Om warmtenetten een wezenlijke bijdrage te laten leveren aan de benutting van duurzame energie, moet de landelijke overheid een duidelijke visie formuleren voor de langere termijn. Nu nog hinkt het Rijk teveel op uiteenlopende gedachten. Dat een scherpe focus wonderen kan doen, werd helder tijdens een werktrip van energiespecialisten van overheden en bedrijfsleven aan Kopenhagen en omgeving. In het tweede deel van dit artikel gaan we in op de coöperatieve gedachte en het Warmtenet 4.0. Lees ook het eerste deel van dit artikel.

Coöperatieve gedachte
Grote gemeenschappelijke deler in de Deense initiatieven is de coöperatieve gedachte. Veel warmtenetten zijn van onderaf ontstaan. Schoumans: “Burgers hebben hun krachten gebundeld. Dat zorgt automatisch voor draagvlak voor duurzame energie. En het verhoogt de betrokkenheid en daarmee dus ook het bewustzijn over de problematiek. In Nederland zijn we zo gewend geraakt aan het gas, dat het als een vanzelfsprekendheid wordt ervaren.”

“Eigenlijk zoals in Denemarken het warmtenet een basisbegrip is,” vult Gommers aan. “Dat heeft ook alles te maken met de achterliggende financiële infrastructuur. De overheid staat garant. En daardoor durven ook banken kapitaal beschikbaar te stellen om in warmtenetten te investeren.”

Voor Schipper was dat een belangrijke eyeopener. “Bewoners die de krachten bundelen, kloppen aan bij een bank en kunnen daar een soort van hypotheek afsluiten, bijvoorbeeld voor de bouw van een gemeenschappelijke biomassacentrale. Dat is hier ondenkbaar. En toch is het ook zo logisch, want de afname van de warmte is gegarandeerd. Dat maakt het tot een hele veilige investering.” Van de Velde lacht: “En zo liepen we op een gegeven moment dus rond in een dorpje met nog geen vierhonderd huizen, waar toch een eigen warmtecentrale was gebouwd, door de bewoners zelf.”

Schipper zag die opmerkelijke tendens ook in de verschillende stadswijken in Kopenhagen, waar warmtecoöperaties nauw optrekken samen met de gemeente. “Daarbij worden ze geholpen door het rijksbeleid dat alternatieven ontmoedigt. Bijvoorbeeld door de prijs van gas of olie kunstmatig te verhogen, met belastingen en heffingen. En dat in de wetenschap dat fossiele brandstoffen daar sowieso al duur zijn.”

Wisselende ideeën
Die landelijke sturing ontbreekt nog in Nederland. Hameeteman ervaart in Rotterdam dat de bestaande regelgeving de uitrol van warmteprojecten zelfs blokkeert. “Ons land is volkomen ingesteld op verwarming door gas. Burgers moeten zelfs extra betalen als ze in hun woning géén gasaansluiting willen. Dat is de omgekeerde wereld.”

Volgens Van de Velde kom dat ook door een gebrek aan consensus over hoe de energietransitie moet worden vormgegeven. “We weten dan misschien wel waar we naartoe willen: een energie-neutrale gebouwde omgeving in 2050. Maar de manier waarop, daarover hebben we heel wisselende ideeën. Daar komt bij dat er aan warmtenetten soms hele negatieve vooroordelen kleven.”

En de aanhangers van duurzame alternatieven, roeren zich ook, merkt Gommers. “De één pleit vurig voor ‘all-elektric’, terwijl anderen vooral heil zien in de potentie van waterstof, hoewel die ontwikkeling technisch nog wel meer tijd vergt. En sommigen willen nog langer wachten. Dat uitstelgedrag zien we momenteel ook. Er bestaat veel twijfel. Maken we wel de juiste keuzes? Want de consequenties kunnen groot zijn als we het verkeerde spoor uitzetten.”

Van de Velde erkent dat risico, maar hecht ook waarde aan het maken van een start. “We moeten gewoon allemaal keihard aan de slag. Dat is gewoon noodzaak, want er moet nog zo veel gebeuren. Laten we beginnen en zien wie er uiteindelijk gelijk krijgen. Ook al zijn er soms bedenkingen bij een plan, er moeten meters worden gemaakt. En laten we in elk geval met elkaar onderkennen dat er heel veel nodig is.”

Haring benadrukt het belang van regionale samenwerking. We weten in Zuid-Holland bijvoorbeeld dat niet overal in onze provincie voldoende warmtebronnen aanwezig zijn om te voldoen aan de vraag. Terwijl in onze haven een overschot is aan restwarmte. In Zuid-Holland sturen we op een regionale warmte-infrastructuur, die zorgt dat er ook in die gebieden warmte komt. Dit zal een open net worden, dat verschillende energiebronnen ontsluit en met elkaar verbindt. Om de versnelling te krijgen, is het nodig om te denken in samenhang. De overheid moet daarin duidelijkheid verschaffen en de regie nemen. Net zoals dat in Denemarken het geval is.”

Warmtenet 4.0
Denemarken mag een gidsland zijn, de wet van de remmende voorsprong doet ook daar opgeld. Gommers: “De Denen kijken nu ook anders naar biomassa, dan dertig jaar geleden. Ook zij stuiten nu op belemmeringen en staan aan de vooravond van een omslag, richting warmtenet 3.0 of misschien zelfs wel al 4.0. Andere bronnen, efficiënter warmtegebruik… ook dat vergt weer grote inspanningen.”

Nieuwe duurzame oplossingsrichtingen voor de Denen, kunnen ook voor de Nederlandse situatie heel zinvol zijn, ook al is de perceptie van de warmtenetten anders dan bij ons, voorspelt Haring. “De Denen die we hebben gesproken, keken het meest op van onze vergaande ‘verketeling’. Elk huis zijn eigen CV-installatie, omdat we het liefst geen euro meebetalen aan het verbruik van de buren.” Schipper knikt: “Terwijl de Denen het nu juist iets meer in de differentiatie zoeken. Ze gaan daar ook toe naar een verbruiksmeter in de woning, vanuit het idee om zo te komen tot betere isolatie en daarmee efficiënter gebruik van de beschikbare warmte.”

Zulke voortschrijdende inzichten zorgen voor nieuwe opgaven, maar ook nieuwe kansen. Gommers: “Daar moeten we ons ook aan vasthouden. We hoeven nu niet de perfecte oplossing voor eeuwig uit te vinden. Laten we eerst eens mikken op de komende dertig jaar. Daar hebben we onze handen aan vol. En Denemarken laat ons in elk geval zien dat er al doende onwaarschijnlijk veel te organiseren valt. Dat optimisme heb ik zeker meegenomen uit het werkbezoek.”

Foto: rondetafelgesprek – deelnemers:
Lydia Hameeteman Projectmanager Duurzaamheid, Gemeente Rotterdam
Brenda Schoumans Business developer, Alliander DGO (ontbreekt op de foto)
Katinka Schipper Senior Adviseur Duurzaamheid, Gemeente Lansingerland
Koen Gommers Manager Business Development District Heating, Eneco
Tanja Haring Beleidsadviseur energie, Provincie Zuid Holland
Bart van de Velde Projectmanager energie transitie gebouwde omgeving APPM
Bob Brandjes Projectmanager energie en klimaat, APPM