Met het Deltaprogramma werken we blijvend aan de waterveiligheid van Nederland. Grote uitdaging daarbij is besluitvorming en uitvoering in beweging te krijgen en te houden, terwijl er ogenschijnlijk geen acute noodzaak is. Immers, er is geen urgentie die er na een watersnood wel is. Bart Parmet, net afgezwaaid als directeur van de Staf Deltacommissaris, vertelt hoe daar aan wordt gewerkt. Sleutelwoorden: “gedeeld eigenaarschap” en “meekoppelen”.

Het doel van het Deltaprogramma is een veerkrachtige en robuuste delta in 2050 die de extremen van de natuur kan opvangen. Het programma kent drie hoofdlijnen: nieuwe normen voor waterveiligheid, een goede beschikbaarheid van zoetwater en een klimaatbestendige, waterrobuuste ruimtelijke inrichting van Nederland.

Waterbewustzijn
Het Deltaprogramma heeft vanaf 2010 toegewerkt naar de nationale kaders die nodig zijn voor de invoering van de nieuwe aanpak. Volgens Bart Parmet heeft zich de afgelopen jaren een paradigmashift voltrokken: ‘In plaats van reageren op een ramp richten we ons nu op het voorkomen ervan. We werken continu aan waterveiligheid en zoetwaterbeschikbaarheid. Dat betekent dat er voortdurend aandacht voor moet zijn. Dat is geen vanzelfsprekendheid, want het “waterbewustzijn” van Nederlanders is laag.

Iedereen heeft op dit punt een groot vertrouwen in de overheid. Toch moeten er belangrijke beslissingen worden genomen en flinke investeringen worden gedaan. Niet voor niets zei men vroeger: “Geef ons heden ons dagelijks brood en af en toe een kleine watersnood.”’

Gedeeld eigenaarschap
Bart Budding van APPM is bij het Hoogwater Beschermingsprogramma 2 betrokken: ‘Zie je dat die cultuurverandering inderdaad tot stand komt?’ Parmet: ‘We hebben nu een Deltawet. Een wet kent geen termijn, dus dat garandeert continuïteit. In de wet is vastgelegd dat er jaarlijks een voorstel voor het Deltaprogramma moet komen, er een Deltafonds is om de maatregelen te financieren en een Deltacommissaris voor de regie. Alle overheden werken intensief samen, een vorm van “meta-governance”.

De kern ligt in gedeeld eigenaarschap, ook bij maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven. Alleen als dat gevoeld wordt, krijg je het brede draagvlak waarop je je beslissingen kunt funderen. Breed draagvlak is onder meer ontstaan door “joint factfinding” en ontwerpend onderzoeken. Ontwerpend onderzoeken blijkt een krachtig middel om helder te krijgen wat het probleem en wat de oplossing is.’ Het met elkaar eens worden over de inhoud speelde in de gesprekken een dominante rol. Bart Budding is daar positief over: ‘Wat me opvalt, is dat daar het accent op ligt en er weinig discussies zijn over verantwoordelijkheden en structuren.’

Meekoppelen
Bart Budding: ‘Hoe krijg je het bedrijfsleven zo ver dat ze zich mede-eigenaar van het Deltaprogramma voelen?’ Parmet: ‘Samen zoeken naar waar voor hen de kansen liggen en ruimte bieden voor innovatieve kracht. Neem het veiligstellen van de beschikbaarheid van zoetwater. Overheid en bedrijfsleven zitten samen aan tafel om zowel levering als afname efficiënt en innovatief te organiseren.’ “Meekoppelen” is een andere weg die naar Rome leidt: het verbinden van ingrepen aan andere opgaven of andere investeringsagenda’s.

Een waterplein is goed voor droge voeten, maar voegt ook kwaliteit aan de openbare ruimte toe. Een andere vorm van combineren, is het versterken van een dijk in combinatie met het verbeteren van het stadsfront, zoals in Dalfsen is gedaan. Bart Budding: ‘In het Hoogwater Beschermingsprogramma is vastgelegd dat je moet nagaan of meekoppelen mogelijk is. Het maakt projecten mooier maar ook complexer. Belangrijke vraag is: wie neemt de eerste stap om de samenwerking aan te gaan.’ Parmet denkt dat goede procesafspraken vooraf en het delen van goede voorbeelden helpen: ‘Het is essentieel dat je de verschillende belangen op tijd bij elkaar brengt. Dan heb je de grootste kans om tegen zo min mogelijk meerkosten te komen tot oplossingen met zoveel mogelijk meerwaarde.’

Het Deltaprogramma gaat nu de fase van de uitvoering in. Wat gunt Parmet Nederland? ‘Prachtige integrale projecten, waarin een koppeling met andere opgaven plaatsvindt. Dit vraagt om tolerantie voor complexiteit. En adaptief deltamanagement waarbij “weinig spijt”-besluiten worden genomen. Dit vraagt om flexibiliteit van betrokkenen. En ik hoop dat de burger, het bedrijfsleven en de belangenorganisaties in een vroeg stadium bij de uitvoering van de projecten betrokken blijven. Er zit veel energie en creativiteit in de maatschappij. Laten we die omarmen en benutten.’

PDF: ‘Integrale projecten vragen om tolerantie voor complexiteit’ verscheen in de APPM Nieuwsbrief Voorjaar 2016